Nederlander heeft thuis 34 pennen.
De opmars
van het elektronisch schrijfgemak ten spijt, staan pen en potlood nog altijd fier
overeind. De gemiddelde Nederlander heeft thuis maar liefst 34 pennen in de la
liggen. En op de werkplek acht. De discrepantie tussen beide cijfers kan worden
toegeschreven aan de gangbare onwil om een pen te kopen. Zo’n ding neem je
gewoon van je werk mee naar huis. Vooral jonge employés weten op die manier een
indrukwekkende verzameling op te bouwen. En ze maken er nog volop gebruik van
ook. Telefoonnummers worden overwegend (in 90 procent van de gevallen) op
papier genoteerd. En hetzelfde geldt – in nog overtuigender mate zelfs – voor huishoudelijke
mededelingen en geheugensteuntjes. Het onderzoeksrapport Schrijfgedrag van
Nederlanders is balsem voor de gekwetste ziel van cultuurpessimisten die de
teloorgang vrezen van het geschreven woord. Het bureau MarketResponse heeft in
opdracht van de Lochemse schrijfwarenfabrikant Edding een representatief
geachte groep van tweehonderd mensen in kaart gebracht. En wat blijkt: ze
schrijven naar hartelust. Zelfs de gelouterde PC-gebruiker maakt kladjes met
ouderwetse attributen alvorens zich achter het toetsenbord te installeren. Aan
de productie van elke rapport, krantenartikel of onderzoeksvoorstel gaat de vervaardiging
van een geschreven houtskoolschets vooraf. Van de respondenten meent zelfs 41
procent tegenwoordig vaker de pen te hanteren dan vroeger.
En ze hechten
ook nog eens aan accuratesse. Netjes schrijven wordt algemeen als een
basisvaardigheid beschouwd – vooral door ouders van schoolgaande kinderen. Ruim
de helft van de ondervraagden zegt de pen als een necessaire te
beschouwen. De vulpen is niettemin uit de gratie geraakt. Ruim driekwart
gebruikt de balpen, en de fineliner is in opmars. De gebruikers zijn wars van
frivoliteit. Verreweg de meesten schrijven in blauw. Zwart geniet de voorkeur
van 14 procent van de respondenten, en de score van rood – een schamele 2
procent – kan wellicht in verband worden gebracht met de malaise in het
onderwijs. Aan de dergelijke veronderstellingen wagen de onderzoekers zich
echter niet.
Sander van
Walsum